Aan de wind
Er is een moment, net nadat de zeilen zijn gehesen en de motor stilvalt, waarop de wereld haar adem inhoudt en alles wat zwaar was van de dag langzaam van je afglijdt als water over een dek. Dan pakt de wind het doek, voorzichtig eerst, als iemand die je hand zoekt in het donker, en daarna vastberaden, zodat het schip zich opricht en met een zucht van vreugde de golven begint te lezen.
Ik zit aan de lage kant, mijn hand losjes om de helmstok, en voel hoe elke rimpel in het water door het hout naar mijn vingers kruipt, alsof de zee zelf iets wil vertellen over waar ze vandaan komt en waarheen ze onderweg is. Het schuim sist langs de romp met een geluid dat ik nergens anders ooit heb gehoord, en ik begrijp opeens dat stilte niet de afwezigheid van geluid is, maar de aanwezigheid van precies de juiste dingen: wind, water, touw dat zacht kraakt in de blokken.
Dicht aan de wind varen is een kunst van luisteren met je hele lijf. Je zoekt die smalle rand waar het zeil nog net niet klappert en het schip net niet wegvalt, en daar, op die scherpe grens tussen te veel en te weinig, vind je een vrijheid die niemand je kan geven of afnemen. De kust verdwijnt tot een dunne streep, dan tot een herinnering, en met haar verdwijnen de zorgen die ik had meegenomen, vergeten in een hoek van mijn hoofd, nu vrolijk meegevoerd door het zout en het licht.
Als de zon laag zakt en het water verandert in gesmolten goud, wordt het zeil zacht als een ademhaling in de slaap, en ik weet waarom ik altijd terugkeer: niet om ergens aan te komen, maar om onderweg te zijn, met de wind in mijn haar en de zee als mijn thuis.